Afbeelding

Om te janken zo mooi

Opinie

Om te janken zo mooi

Begin juli was het tien jaar geleden dat kleinkunstenaar Maarten van Roozendaal op veel te jonge leeftijd overleed. Bij BNNVARA is die avond een prachtige documentaire te zien getiteld ‘Maarten van Roozendaal: Om te janken zo mooi!’ In die documentaire wordt nog weer eens bevestigd wat een taalkunstenaar deze man was. Neem de titel van het lied ‘Het te late einde’, over een man die zijn vrouw met Alzheimer verzorgt. Als dochter van een moeder met dementie weet ik maar al te goed dat het einde soms inderdaad te laat komt. Of ‘Red mij niet’, waarin hij in prachtige zinnen uitlegt dat iedereen mag geloven wat ie wil, zolang je hem er maar niet mee lastig valt.

Dat in taal ook schoonheid schuilt, ontdek ik op het vwo. Op de lagere school is taal slechts een instrument om mij, via boeken, mee te nemen naar andere werelden. Dat begint met Jip en Janneke; wie is er niet groot mee geworden. Later lees ik uren in ‘De Kameleon’ of ‘Alleen op de Wereld’. Heerlijk om even te verdwijnen in een spannend of ontroerend boek. Ik word me voor het eerst bewust van de schoonheid van taal als mijn leraar Nederlands het gedicht ‘Spleen’ van Godfried Bomans voorleest:
“Ik zit hier voor het vensterglas onnoemelijk te vervelen.
Ik wou dat ik twee hondjes was, dan kon ik samen spelen.”

Zinnen die in mijn geheugen staan gegrift. Diezelfde Bomans overigens, kondigt in 1963, tijdens de uitreiking van de Edisons, Marlene Dietrich aan met een legendarische anekdote. Hij vertelt dat hij in de bioscoop naar een film keek waarin Dietrich speelde, toen een oud mannetje naast hem verzuchtte: “Ach, had mijn vrouw maar één zo’n been”. Jaloersmakend mooi, deze taalvondsten!

Ook dichtbij huis is prachtige taal te vinden. Bij de ingang van de begraafplaats in Varsseveld staat een natuurstenen plaquette met een tekst van de Eindhovense dichter Merel Morre: ‘Zelfs als ik afscheid. neem. ik je altijd mee’. Alsof ’t speciaal voor deze plek is geschreven.

Terug naar de Nederlandse liedteksten. Ook daar zitten
juweeltjes tussen. Denk aan: ‘Als je bij me weggaat, mag ik dan met je mee?’ van Acda en De Munnik. Mijn favoriet blijft echter ‘Mooi’ van Maarten van Roozendaal. Hierin bezingt hij op euforische wijze de schoonheid van de lente:

Ach zie de lammeren nou toch lurken 
Aan hun vers geschoren moeders
En hoe de jonge zwanen donzen in de zachte sloot
Kan iets mooier dan het mooi is, kan iets groter zijn dan groot
Ach ik ben Goddank dus nog een keer een jonge lente waard

Dit is zo mooi, ‘t Is om te janken zo mooi
Mooi, om te janken zo mooi!

Ach, had ik maar één zo’n schrijftalent…

Advertenties doorgeplaatst vanuit Gelderse Post Oude IJsselstreek