Column Ria Tuenter
Column Ria Tuenter

Liefdevolle overdracht

Opinie

“Rouw wordt vaak beschreven als iets wat moet slijten, een plek moet krijgen, oplossen zelfs. Alsof het een blok ijs is dat je alleen maar lang genoeg op tafel hoeft te laten liggen en dat uiteindelijk vanzelf verdwijnt. Maar rouw lost niet op. Misschien is het niet zozeer het gat dat iemand achterlaat, maar meer de plek die blijft bestaan.” Zo begint longarts Sander de Hosson zijn column van 21 januari. Hij ziet rouw niet als een ziekte, maar als een relatie die van vorm verandert. “Wat weg is, dringt zich toch op”, schrijft hij, “en dan vaak in kleine dingen, op onverwachte momenten.”

Zijn column raakt me diep. Zo herkenbaar. Vooral dat verdriet om een overleden dierbare zich heel onverwacht kan opdringen. Het is alweer negen jaar geleden dat mijn moeder overleed. Desondanks blijft het gemis af en toe voelbaar. Zeker nu ik vorig jaar oma ben geworden en zij dus overgrootoma is. Vaak denk ik: wat zou ze genoten hebben van dit kleine meisje. Maar ik ben daar verder niet verdrietig om. Je kunt de tijd nou eenmaal niet terugdraaien.

Vanuit het niets rollen tranen over mijn wangen. Dit voelt als een soort verraad.


Toch waren er een paar weken geleden ineens onverwachte tranen. Dat had indirect met diezelfde kleindochter te maken. Ze krijgt steeds vaker interesse in het Popje van mijn moeder, dat een grote steun en troost was voor mijn moeder tijdens haar dementieproces en een hoofdrol speelt in de boeken die ik daarover schreef. Dat Popje trekt steeds vaker de aandacht van onze kleindochter. Niet zo gek, want qua grootte zou het haar leeftijdsgenootje kunnen zijn. Ze trekt de ene keer ruw aan d’r haar en de andere keer aait ze haar lief. Maar, zoals een kind van tien maanden doet, probeert ze ook in haar neusje te bijten. Dat laatste vind ik niet zo hygiënisch omdat er nog duizenden opgedroogde kusjes van mijn moeder op zitten. Ik kon het niet eerder over mijn hart verkrijgen om Popje te wassen. Maar nu is de tijd rijp, besluit ik.

Zoals mijn moeder me vroeger heeft geleerd, zeep ik - als vlekverwijderaar - haar smoezelige snuitje eerst in met Ossengalzeep. Terwijl ik daarmee bezig ben, rollen vanuit het niets tranen over mijn wangen. Dit voelt als een soort verraad. Totaal onterecht natuurlijk, maar blijkbaar dringt een stukje gemis zich ineens op. Met nog natte ogen stop ik Popje – in een waszak, zoals mam me ook heeft geleerd – in de wasmachine. Als ik haar er na een klein uurtje weer uithaal, komt ze stralend, fris en ongeschonden tevoorschijn. Ze is mooier dan ooit. Alsof mam haar zegen geeft en haar ‘kindje’ liefdevol overdraagt aan haar achterkleindochter.

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant