Wim Boevink verkent de Achterhoek en zijn eigen gedachten in de nieuwe rubriek Onlandse Tijdingen. Foto: Gerwin Nijkamp
Wim Boevink verkent de Achterhoek en zijn eigen gedachten in de nieuwe rubriek Onlandse Tijdingen. Foto: Gerwin Nijkamp

Wim Boevink: ‘Niet alle paden hoeven gebaand te zijn’

di 14 sep 2021, 16:54 Interviews & Achtergrond

ACHTERHOEK/ZUTPHEN – Enkele uren voordat de zomer Zutphen vaarwel zou zeggen, stapt Wim Boevink de kloostertuin en de middag binnen. Hij kijkt genietend om zich heen. De fontein is allicht niet authentiek, maar het kletterende water verhoogt de sfeer op het terras van de horecagelegenheid. Tijdens de lunch vertelt de schrijver hoe het beschrijven van waarnemingen als een rode draad door zijn leven loopt. En hoe dat leven de voormalig Trouw-verslaggever en -chroniqueur nu terug naar Zutphen en de Achterhoek leidt. Deze week verschijnt een nieuwe kroniek van zijn hand in onze krant: Onlandse Tijdingen.

Door Gerwin Nijkamp

Met grote ogen kijkt Boevink naar de culinaire kunstwerkjes die op tafel worden gezet. “Die had je hier destijds nog niet”, lacht hij als de amuselunch is geserveerd. Bij zijn eerste ontmoeting met Zutphen in de jaren zeventig is het nog een verarmde stad. “Veel verpauperde gebouwen, de markten vol auto’s en er werd veel geblowd”, herinnert hij zich. “Al moet ik eerlijk zeggen dat de stad toen slechts een decor was. Ik was vooral gefocust op mijn eerste grote liefde. Zij woonde hier op kamers en werkte op Groot Graffel in Warnsveld.”

Eerste grote liefde

Zoals bij veel eerste grote liefdes, is de liefde vooral zo groot omdat ze de eerste is. Die tussen de dan zeventienjarige Boevink en de oudere zus van zijn klasgenoot is na een paar maand over, maar de oude Hanzestad en het achterland hebben hem nu een halve eeuw weer aangelokt.

Komend uit Hengelo in Overijssel gaat hij na die eerste flirt met Zutphen culturele antropologie in Amsterdam studeren en woont en werkt later in onder andere Rotterdam en Berlijn. Vanaf begin 2020 verblijft Boevink een deel van de week op een zolderkamer in Zutphen en de rest van de tijd in Utrecht. Na zijn pensionering bij Trouw - waar hij zich de laatste veertien jaar met zijn Klein Verslag tot het elitekorps van de vaderlandse columnisten mocht rekenen - is Boevink steeds meer aan deze kant van de IJssel te vinden.

De chroniqueur heeft een warme band opgebouwd met Zutphen. Lezers van Klein Verslag en zijn volgers op Twitter zijn getuige geweest van de ontluikende liefde. Nieuwsgierig is hij inmiddels ook naar wat er achter de oude stad ligt. Daar waar het landschap zich op sommige plekken nog in al z’n ruwheid laat zien. Het onland zoals dat in de tijd van Hendrik Willem Heuvel wordt genoemd. Naast het bord met rog, zalm en andere bijzondere gerechten, ligt het nieuwste boek met werk van de Achterhoekse schrijvende meester op tafel. “Ik onderzoek graag de gebieden om mijn woonplaats”, zo verklaart hij de aanschaf.

‘Kijken is de basis van schrijven’

De behoefte om wat hij ziet te beschrijven, is ook na zijn pensionering niet verdwenen. “Kijken is de basis van schrijven en het beschrijven van wat je ziet, scherpt de blik.” Het is voor Boevink zaak zijn waarneming met de grootst mogelijke precisie te beschrijven. In zijn bekende rubriek, maar ook als verslaggever. “Ik mis dat vaak in de journalistiek, die beschrijvende kracht in een verhaal”, zegt Boevink. “Wie, wat, waar, wanneer, de leeftijd van de persoon er tussen haakjes achter. Bam, bam, bam! De lezer moet het allemaal maar even verwerken aan de ontbijttafel.”

Hij heeft altijd getracht het nieuws zacht te laten landen. “Ik wil lezers naar de plek toe brengen. Laten zien waar ik ben. Hoe ruikt het hier? Hoe zien de mensen eruit?” Het is volgens hem een kracht van literatuur: de kracht van de beschrijving.

Proces tegen Demjanjuk

Boevink heeft bij dagblad Trouw bewezen dat die literaire stijl zich uitstekend leent voor journalistieke verhalen. Vlak na de val van de Muur doet hij dat als correspondent in Berlijn. Later verfijnt hij zijn signatuur met Klein Verslag. Ook grote en zware onderwerpen blijken in dat format te passen. Tussen november 2009 en mei 2011 woont Boevink in München meer dan negentig zittingen bij in het proces tegen Ivan (John) Demjanjuk. De inmiddels overleden Oekraïner was als kampbewaarder van Sobibór betrokken bij de moord op ruim dertigduizend Nederlandse Joden.

Het moorden in Sobibor vond met een gruwelijke efficiëntie plaats: er waren nauwelijks overlevenden. Boevink vertelt hoe hij de verhalen van de laatste getuigen en van getuige-deskundigen anderhalf jaar lang aanhoort en minutieus beschrijft in zijn Klein Verslag. Het emotioneert hem nog steeds.

“Het is belangrijk dat dit proces zo precies omschreven is en dat een Duitse rechter zich hierover heeft uitgesproken”, concludeert de schrijver. “Ik ben Trouw nog steeds dankbaar dat ik dit heb mogen doen.” De verslagen zijn gebundeld in Dienstausweis 1393: Demjanjuk en het laatste grote naziproces.

Onlandse Tijdingen

Een nieuw hoofdstuk breekt nu voor Boevink aan in de Achterhoek. De schrijver zal de lezers van deze en andere titels die Achterhoek Nieuws uitgeeft, wekelijks deelgenoot maken van de verkenning van de streek en zijn eigen gedachten in de rubriek Onlandse Tijdingen. Geen reisverslag, maar eerder een kroniek.

Hij is nieuwsgierig naar hoe de streek omgaat met invloeden van buiten. “De Achterhoek is erop gericht om mensen te ontvangen, maar wat als het een groot recreatiepark dreigt te worden?” Dat is in tegenspraak met de rust die hier wordt gekoesterd. Zelf hoopt hij dat de regio iets van z’n ruwheid - van zijn onland - kan behouden: niet alle paden moeten gebaand worden.

De paden die Boevink wel wil bewandelen, zijn die naar zijn eigen geschiedenis en die van zijn vorige werkgever leiden. De oprichters van Trouw, verzetsstrijders vanuit een christelijke overtuiging, vergaderden tijdens de oorlog regelmatig in de boerderij van de familie Satter op Sinderen, diep in de Achterhoek. Op dat erf diende zich bijna tachtig jaar geleden iets heel bijzonders aan. De mensen van Trouw kregen een geschreven verslag van SS’er Kurt Gerstein in handen. Daarin stond beschreven wat zich honderden kilometers oostwaarts afspeelde in de concentratiekampen. Trouw, toen nog een pamflet, had in zekere zin al in 1943 de primeur van de Jodenvernietiging kunnen brengen. 

“Het document werd echter verstopt in een kippenhok”, zegt Boevink. De tot in detail beschreven waarnemingen van Gerstein waren kennelijk zo verbijsterend dat de Trouw-mensen van het eerste uur het niet konden bevatten. Precieze beschrijving is een gave, maar soms is de werkelijkheid zo gruwelijk hij alleen maar tot ongeloof kan leiden.