
Woeste Grond
OpinieBent u ook één van de meer dan één miljoen tv-kijkers die elke doordeweekse avond, even voor half acht, klaar zit voor de nieuwe boerensoap ‘Woeste Grond’? Of behoort u tot de categorie mensen die vindt dat de verhaallijn ver over de top is, dat niet iedereen de Sallandse tongval beheerst en/of het acteren (nog) moeten leren? Hoewel ik de kritiek van deze laatste groep begrijp, behoor ik vooral tot de eerste. Ik vind het namelijk een heerlijke serie om naar te kijken. Vooral omdat er Nedersaksisch gesproken wordt, de taal die zo bij mijn identiteit hoort.
Er spelen inderdaad veel verhaallijnen op boerderij De Weuste, waar drie generaties Ottink wonen. Dat dit niet overeenkomt met de dagelijkse realiteit op een gemiddelde boerderij, mag ik hopen. Daar is het ook een dramaserie voor. En de kritiek dat niet alle acteurs even sterk spelen, geldt wat mij betreft niet voor ‘oude rotten uit het vak’ als Laus Steenbeke en Anne-Mieke Ruyten die de karakters van Bats en Grada, de oudste generatie, voor hun rekening nemen. Ook Hendrik-Jan Bökkers, die juist geen enkele acteerervaring heeft, speelt als zoon Dinant een heel geloofwaardige rol.
Voor mij is deze serie een vorm van jeugdsentiment. Ik groeide op in een omgeving met ‘olde nösterpotten’ (bromberen) als Bats en ‘strabante’ (daadkrachtige), bemoeizuchtige en zorgzame vrouwen als Grada. Het bonkige karakter van Bats, zijn kleine hartje en zijn humor is heel herkenbaar. Bijvoorbeeld als hij de stal inloopt en zijn zoon Dinant aantreft met een knalgele muts op zijn hoofd, die hij even daarvoor heeft gekregen van zijn nieuwe liefje. Dat vraagt natuurlijk om een plaagstootje: “Heb e’j te lang in ’t kippenhok e’zeten, da’j een eierdop op de kop hebt?”, schatert Bats. Ik kan me verkneukelen om dit soort flauwe humor. Mijn opa of vader zouden de grap ook gemaakt kunnen hebben. Maar dan met ‘tuut’nhok’ in plaats van kippenhok.
Ik kan zo genieten van woorden als kats (helemaal), mangs (soms) of snotterkuuken (kind dat zich bemoeit met grotemensenzaken). Wat mij betreft moeten we die behouden. Daar dacht mijn leraar Frans op de middelbare school heel anders over. Hij kon het dialect niet aanhoren. Mijn langgerekte uitspraak van de letter ‘O’ was hem een doorn in het oor. Regelmatig kwam hij achter mij staan, wreef driftig met twee papiertjes langs mijn oren, terwijl ik meerdere keren ‘een grOOt, rOOd potlOOd’ moest zeggen. Tegenwoordig wordt dit gezien als grensoverschrijdend gedrag, vrees ik. Later kreeg ik nog eens een reprimande van hem, toen ik op een snikhete dag, in al mijn onschuld, aan hem vroeg of het raam los mocht. Hij brieste dat het niet best was als het raam los was, want dan was ie stuk. “Het raam kan wel OPEN!”, was zijn geïrriteerde reactie. Daar zat geen woord Frans bij. En ook geen dialect.










